16 oktober 2009

Masters of Reality (Gent, Vooruit, 11 oktober 2009)

Soms, beste lezer, is het noodzakelijk om aan het begin van je recensie al heel eerlijk bepaalde dingen op te biechten. Bijvoorbeeld dat de groep die je gaat recenseren behoort tot het selecte clubje goden waar je 's nachts wel eens een gebedje aan richt. Bij deze: ik ben al 7 jaar fan van Masters of Reality, en dit was de eerste keer dat ik ze live te zien kreeg. Objectiviteit niet gegarandeerd dus.

Voorprogramma van dienst was Drums Are For Parades. Bepaalde vrienden van me vinden die behoorlijk geweldig. Ik vond de sound niet slecht, maar ik vond de nummers niet echt veel soeps. Het klonk allemaal nogal hetzelfde. Let wel: dat heb ik in het verleden ook gezegd over groepen die ik na een paar cd-luisterbeurten gewéldig vond. Als iemand mij een album van deze heren opstuurt, dan zal ik ze zeker nog een eerlijke kans geven.

Na een stukje platendraaierij van de broertjes Dewaele (wiens eerste album als Soulwax geproducet werd door Masters-frontman Chris Goss, vandaar) werd de hoofdschotel van de avond geserveerd. Over de eerste veertig minuten heb ik eerlijk gezegd niet veel te vertellen, gezien die vooral bestonden uit nieuwe nummers, en ik vind het nieuwe album nu eenmaal niet zo heel goed. Ook helden worden oud. Maar daarna werd het beter: monolithische riffs afgewisseld met catchy melodieën en een stem uit de duizend. Hoogtepunten: "Blue Garden", "Third Man On The Moon", "Rabbit One", het akoestische intermezzo waarbij drummer John Leamy tweede stem en keyboard leverde, en een zeer speelse vraag- en antwoordsolo tussen Goss en bassist Paul Powell. Hier en daar werden dat soort improvisaties iets té lang gerekt, zoals in het - enige en ongeveer vijftien minuten durende - bisnummer "She Got Me (When She Got Her Dress On)", maar over het algemeen was de balans tussen gestructureerde songs en (zeer straffe) instrumentale kunstjes, wat mij betreft, perfect.

Democrazy heeft een wild briesend en stampend beest van een najaarsprogramma op stapel staan, en dit concert was nog maar het begin. Coming up: Das Pop, Soulsavers ft. Mark Lanegan en The Mars Volta, om er maar een paar te noemen. Sla maar alvast een voorraad oordoppen in.

09 oktober 2009

Rondleiding Almost Cinema (Gent, Vooruit, 8 oktober 2009)

Een nieuw academiejaar, een nieuwe studie voor GW, maar vooral: een nieuw cultureel jaar. Een cultureel jaar waarvoor GW als student (voorlopig, tot zijn spaarpot leeg is) terug meer tijd kan vrij maken. Eerste wapenfeit: een rondleiding door de Almost Cinema-tentoonstelling. Helemaal gratis ende voor niks, gezien GW sinds een paar weken lid is van het 5 for students-team van de Vooruit.

Almost Cinema is een tentoonstelling die jaarlijks plaatsvindt in de periode van het filmfestival te Gent. Behalve de naam en de link met het festival heeft de tentoonstelling echter weinig met film te maken, hoewel er altijd een link blijft met de wereld van het bewegende beeld. Die links laat ik u zelf zoeken, dat houdt uw brein warm.

Kunstwerk nummer één werd ons voorgesteld als "de natte droom van elke geluidskunstenaar", en toegegeven, de geluidsnerd in mij vindt het wel vet cool: twee bakken water die afwisselend bevriezen en ontdooien, waarvan de klank versterkt wordt met contactmicrofoons en bladspeakers. Naar verluidt nog ecologisch verantwoord ook: ergens in Nederland heeft iemand met het koelings-/opwarmingssysteem een opleiding succesvol afgerond.

Tweede kunstwerk: een paar honderd kleine vlaggetjes van rijstpapier op de grond, waarmee de kunstenaar (een fysicus van opleiding) de kleine luchtverplaatsingen op grondhoogte zichtbaar maakt. Vooral mooi vanop het balkon, maar nu ook niet omzeggens spectaculastisch.

Het derde werk, "Celebration" van Hans Op de Beeck, komt het dichtst in de buurt van film. Men zou zelfs kunnen zeggen dat het - jawel - almost cinema is. Op een scherm wordt een tien minuten durende video geprojecteerd van een gedekte feesttafel midden in de woestijn, compleet met slingers, hapjes en aperitief, en omgeven door een aantal koks, een sommelier en zaalpersoneel. Er wordt in deze video geen woord gezegd, de bewegingen beperken zich tot een geeuw en wat ooggeknipper, en als het tafelkleed niet zou bewegen in de wind, dan zou je zweren dat je naar een foto staat te kijken. Blijkt dat nog de bedoeling te zijn ook. De gids noemde het een videoschilderij, en ik vind dat zij daarmee een mooi woord heeft geschapen. Voor mij hield deze net-niet-film het midden tussen een interessante vraagstelling omtrent de eigenschappen van bewegend beeld en een eerder karig becommentarieerde documentaire over de wereldkampioenschappen niet bewegen. De slapende kerel links won volgens mij, maar de resultaten van de fotofinish zijn nog niet binnen.

De volgende installatie bevindt zich in de vitrine van het bespreekbureau. Daar heeft een jazzmuzikant iets met rubberstroken en motoren neergezet. Door die stroken netjes gechoreografeerd te laten draaien treden allerlei visuele effecten op. Niet bepaald wereldschokkend, maar dat verwacht uiteraard niemand van een muzikant. Ik leerde vooral dat programmeren niet meer is dan choreografie voor machines. Met andere woorden: de nerds waarmee ik dezer dagen de schoolbanken deel zijn kunstenaars. Zo had ik het nog niet bekeken. Zo wou ik het eigenlijk ook niet bekijken.

In een lokaal naast de Vooruit heeft een architect zijn ding gedaan met beamer en muur. Netjes op maat van het lokaal geprogrammeerde projecties creëren nieuwe muren en laten echte muren verdwijnen. Heel knap technisch hoogstandje. Ook hartstikke nerdy, natuurlijk. Maar dan op een goeie manier.

Nummer zes: creatief met LCD. In plaats van een gewoon LCD-scherm kregen we een projectie van een plaatje te zien waarop zich losse druppels vloeibare kristallen bevinden. Door de warmte van de lamp en de kamer verdampen deze, wat beweging in de projectie veroorzaakt. Ik zag vooral een duur alternatief voor een trage lavalamp.

Zeven: spiegeltje, spiegeltje aan de wand, waarom doet gij zo ambetant? Een muur van spiegels die wegdraaien als je ervoor gaat staan. Niet geschikt voor de badkamer dus, maar wel voor tentoonstellingen. Een beamer projecteert een foto van een woestijnhorizon op de spiegels, en die wordt bijgevolg vrolijk in het rond gefragmenteerd. De symboliek is iets met het feit dat tegenwoordig steeds meer mensen met elkaar verbonden zijn door allerlei media, en het schril contrast daarvan met de bouw van steeds meer fysieke muren tussen mensen (zoals de Israëlische Westoeverbarrière), maar dat had u uiteraard al door. Toch?

Eindhalte: "Les gens qui sont morts". Een installatie die ook dienst doet als decor voor een performance. Ik ben er nog niet uit of ik het jammer vind dat ik enkel het decor te zien heb gekregen. Een hondertal meter politielint, een vijftal opblaaspoppen die afwisselend worden opgeblazen en leeggelaten, een bescheiden selectie rondgestrooid meubilair en een geluidsband die naar het macabere neigt; het heeft iets van doen met oermoeders, eeuwige reizigers en mensen uit een andere tijd, maar ik had mijn portie onbeholpen vaagheid wel weer gehad.

GW en moderne kunst: het zal altijd een haat-liefderelatie blijven, maar met een waterkansje op liefde zal ik ook in de toekomst gretig elke gratis rondleiding bijwonen. Al is het maar om eens geconfronteerd te worden met Westoeverbarrières en mensen uit een andere tijd.

20 april 2009

Monsters of Cock Rock Disco (Gent, Balzaal Vooruit, 16 april 2009)

Vorige week donderdag is de wereld vergaan. De ruiters van de Apocalyps hadden een platencontract, en dan nog wel bij Cock Rock Disco. GSS, AV en ik (en nog een kleine honderd andere mensen) weten hoe het einde klonk, en het klonk verdomd sexy. Ik had mijn voorspellingen hieromtrent aan AV omschreven als “een resem oude computers en een arsenaal speelgoed en keukenmateriaal die allen samen van een hele hoge trap met ongelijkmatige treden vallen, aan dermate hoge snelheid dat je nauwelijks nog ziet of hoort wat er nu precies voorbij komt gestommeld...”, en zo was het ook, maar dan dansbaarder. Als je epilepsie hebt.

Opener Droon was een Belg in uniform. Iedereen weet dat het Belgische leger bestaat uit vier oude mannetjes in een jeep met een bak bier, dus één van die vier zal donderdag kou hebben geleden. Hoe dan ook, Droon stond er beter mee. Ook die helm stond hem beeldig, maar alles verbleekte bij zijn weapon of choice. Geen elektrische gitaar, geen robotgitaar, geen headless gitaar (horresco referens), zelfs geen keytar, bij Osiris en bij Abis, neen! Niets minder dan een computertoetsenbord, vakkundig op een flying V zonder kop gepattext, waarmee hij samples op zijn laptop kon starten en stoppen. Een stuk interessanter om naar te kijken dan een DJ achter z’n tafels, en minstens even efficiënt. Muzikaal sloopte hij alle heilige huisjes, maar dan met een gevarieerd arsenaal aan hamers, boren, koevoeten en explosieven, om het interessant te houden. Iemand die mijn lijf doet twijfelen tussen headbangen, hakken, jumpen, de macarena, de funky chicken en een onbedaarlijke schaterlach, zo iemand kan op mijn eeuwigdurende respect rekenen. Ik wil zijn uitgebreide livemix van Cartman’s “Cripple Fight” nú op cd.

Daarna mocht Nero’s Day at Disneyland het podium op, maar blijkbaar wou hij dat niet. Op een tafeltje voor het podium had hij een paar synthesizers en een computer neergepoot, en daar bleef-ie dan ook staan. Bij hem minder twijfel over de correcte dansmoves: gopak en prisyka all the way! Het recept was even simpel als doeltreffend: de bassen van pakweg Rotterdam Terror Corps ten tijde van Thunderdome XVI (Ik heb die cd. Echt.), de beats van Aphex Twin, en bovenal een paar blikken oostblokfolk, maar dan gespeeld zoals The Prodigy dat anno “Experience” zou hebben gedaan. Heel originele en consistente sound, en bovendien ook nog eens een coole artiestennaam. Ja, ik heb mij toch wel weer eens een cd’tje aangeschaft, ja. Portefeuille zegt foei.

Next up: Duran Duran Duran. Geniale groepsnaam, hilarisch foute albumcovers, en volstrekt gestoorde muziek. Samen met GSS dronk ik hier en daar een wodka-red bull, en danste ik me te pletter. GSS was dronken genoeg om ín het ritme te dansen, of ik was dronken genoeg om dat te denken. Ik was alvast dronken genoeg om voor de rest niet veel meer van Duran Duran Duran te hebben onthouden. Uit schuldgevoel dan maar een plaatje aangeschaft.

Dan de mens waarvoor ik eigenlijk was gekomen: Otto Von Schirach. “Bling gore and diamond-soaked kick drums for the reptilian women”, stond er op het doosje van “Maxipad Detention”, en beter zou ik het zelf niet kunnen verwoorden. Otto mengt breakcore zoals bovenstaande heren die maken met de lome beats en misogyne thematiek van hiphop, de lachwekkende agressie van nu-metal, een heel vreemde soort humor. Zijn wereld wordt bevolkt door ruimtemonsters en buikdanseressen, wandelende speakers en heel veel lichtjes. Ik zeg maar wat. Hij zegt zélf ook maar wat. Men verkocht zijn meesterwerk “Chopped Zombie Fungus” aan de merchandising stand, dus mijn portefeuille was zo leeg als iets die heel leeg is.

Afsluiter van de avond, Cock Rock Disco-labelbaas, winnaar van de award “beste artiestennaam voor iemand die gewoon Jason Forrest heet”, en blijkbaar organisator van de tournee was DJ Donna Summer, waar ik me jammer genoeg ook geen fuck van herinner. Het spijt me, maar ik pleit verzachtende omstandigheden. Het was laat, ik was euforisch, ik had gedronken, ik zie GSS graag, I’d rather dance than talk with you, Ahmed had kebab gebakken en ik had geen centjes meer voor een cd ter compensatie.

Gelukkig had GSS nog het mededogen en vooral de centen om achteraf met genoemde Ahmed af te rekenen, want anders was ik hongerig naar bed gegaan. Drie uur later ging de wekker en werd ik gedeporteerd naar een gevangenenkamp. Het lijkt me gepast om af te sluiten met een citaat van de al te vaak verguisde wijsgeer Liam Lynch:

The guys in the office might criticize me
for looking like hell and smelling like a brewery but I'm wasted (he's wasted),
Sitting here in traffic, and I'm wasted (he's wasted),
Still wasted from the party last night.

10 november 2008

Hermano (Leuven, Depot, 6 november 2008)

Vorige week donderdagavond bevond ik mij weer eens in Leuven, mijn oude geliefde studentendorp. Ik ging daar niet zomaar heen, neenee, GSS had weer eens tickets voor iets prettigs weten te schnitzelen, op voorwaarde dat ik achteraf mijn steentje bijdroeg aan de milieuvervuiling, in opdracht van het STUK.

De avond werd geopend door Alex Agnew, die voor de gelegenheid zijn groep Diablo Boulevard had meegebracht. Die bestond uit een fijne collectie metalshirts (jammer genoeg had de drummer het zijne thuis vergeten), die betere riffs hadden dan de recentste vijf pausen samen. Het leek welhaast of Agnew dit serieus nam. Wie weet. Met zijn silly walks en andere spasmen zette hij ons alvast aan tot een potje nekopwarmend softheadbangen.

De volgende op de agenda waren de Rescue Rangers. Dat zijn blijkbaar Fransen, en dat voorspelt nooit veel goeds als het op rock aan komt. Al bij de eerste seconden kregen we dan ook een sessie lompe riffs 101 voorgezet, die mij meteen die irritante eekhoorns van Disney deed vergeven. Edoch, te vroeg gevloekt: vanaf het tweede nummer begon het te beteren. Al lag dat vooral aan de drummer, die de boel op z'n eentje overeind hield. Niets overtuigde écht, maar al bij al was het een vrij sympathieke mengelmoes van klassiekers. Zo hoorden we dingen die herinnerden aan Led Zep of aan Sabbath, en - dankzij de zanger - zelfs een beetje aan de Bee Gees. De bindteksten waren uiteraard essentieel, want iedere fransoos weet dat z'n gebrekkige Engels wereldwijd als sexy wordt bestempeld.

Topattractie van dienst was evenwel Hermano, de band met John Garcia, zo ongeveer de enige god die ik aanbid. Mét John Garcia, jawel, en niet ván John Garcia, want zoals GSS terecht opmerkt is deze groep veel meer dan een equipe muzikanten rond een levende legende. Ik kan groepslid per groepslid beschrijven hoe fantastisch ze wel niet speelden en hoe übercool ze er wel niet bij liepen, maar dat heeft weinig zin: ze kickten allemaal keihard ass. Garcia stond er al bij al nog het meest bedeesd bij, al verbeterde dat nummer per nummer. Uit de gehandtekende playlist naast me blijkt dat er - even tellen - zes nummers uit debuutalbum "...Only A Suggestion" werden gespeeld, zes uit opvolger "Dare I Say", en zes uit de nieuweling "Into The Exam Room". Mooi verdeeld, noemen ze zoiets. En dan was er natuurlijk ook nog dat moment waar iedere stoner-aficionado op zat te wachten: niet één maar verdikke twéé Kyuss-nummers: "Thumb" én "Green Machine". Ik kuste ergens halverwege de gitaar van David Angstrom, en ving beide stukken van een gebroken drumstok én genoemde playlist. Toen ook nog eens bleek dat affiches en stickers gratis waren, en dat de onvindbare Man's Ruin-release "Coping With The Urban Coyote" van Unida op de merch-tafel lag, was het wel zeker: die grijns die ergens halverwege het eerste nummer op mijn gezicht verscheen gaat er de komende week niet meer af.

30 september 2008

Kunst om 8 (Antwerpen, Rubenshuis, 25 september 2008)

Wat is Antwerpen me toch een kutstad. Nog vóór zeven uur bevonden DB en ik ons op de ring, maar het heeft ons tot net voor acht gekost om op onze bestemming te arriveren. Reden: mappy wist niet dat afrit 14 gesloten is (or is it?), en alle bordjes met “centrum” erop sturen je onvermijdelijk terug in de richting van de ring. Ten einde raad besloten DB en ik om de auto ergens te parkeren en mensen te zoeken om de weg te vragen. Groot was onze verbazing toen we om de hoek ons doel ontwaarden. Het lot was ons gunstig gezind, en de organisatie van Kunst om 8 ook, want we kregen – voorwaar ik zeg u – drie gratis consumpties bovenop onze gratis toegang. Al wat ondergetekende daarvoor hoefde te doen is onderliggend verslag tikken. Ik herken de geur van een goeie deal uit de duizend.
Maar wat ís Kunst om 8? Wel, tot voor kort kende ik het concept ook niet, maar het gaat als volgt: hedendaagse artistieke disciplines zoals rockmuziek, boenkboenklawaai en flitsende videobeelden worden losgelaten op een eveneens kunstzinnige maar ietwat klassiekere locatie, in casu het Rubenshuis. Vrij onconventioneel, maar op z’n minst interessant qua opzet. Het museum en zijn tuin zijn wellicht overdag al vrij mooi, maar ’s avonds in het donker zijn ze werkelijk práchtig. Samen met het vrij exclusieve karakter van het gebeuren (er waren slechts 250 tickets verkrijgbaar) gaf de locatie je de indruk dat je op een duur privéfeestje was binnengevallen. Maar vergis u niet: duur was het allesbehalve. Ik heb nog maar zelden Duvel of Vedett aan één euro weten verkocht worden. Het lot was ons gunstig gezind, ik zei het al.

De festiviteiten waren geconcentreerd rond een podium in de tuin, maar de eerste act vond plaats ín het museum zelf: in het Groot Atelier mochten VJ’s EyeScream tussen Adam & Eva en de Slag bij Ivry hun kunsten demonstreren. En dat deden ze met verve. Wel, met videobeelden, uiteraard, maar je snapt m’n punt. Huppelden gezellig door elkaar over het scherm: mollige baby’s, strompelende dronkaards, carnavals- en andere stoeten, dansers, Ovidiaanse diermensen, mannen in kippenkostuums en etalagepoppen. Ik noem er maar een paar. Bij de beschrijving op de website stond te lezen dat deze jongens zich op Rubens zouden baseren voor hun show, en ik vond dat op voorhand redelijk pretentieus klinken. Maar het mag gezegd worden: ze deelden Rubens’ voorliefde voor de schoonheid en de lelijkheid van de mens, in al zijn simpelheid en potsierlijkheid. En als kers op de taart lieten ze mannen en vrouwen uit ’s mans schilderijen stevig met hun weelderige zeventiende-eeuwse booty shaken, de ene keer voor het fatsoen aangekleed met surfshorts en feesthoedjes, de andere keer verwikkeld in orgieën waar Dennis Black Magic jaloers op zou zijn. De museumwachter van dienst keek goedkeurend en was zo behulpzaam de titels van de werken rond het videoscherm mee te geven. Waarvoor dank.

Daarna was het de beurt aan Monky Pussy, een soortement artistiek binnenlands rockgroepje dat om de één of andere reden vrij onbekend is. De groep bestond uit vier venten die erin slaagden goed gekleed te zijn, degelijk te dansen en toch niet op Felice te lijken. We zagen drums, bas en gitaar, en een frontman met een cowbell, een stem, een klarinet en een Microkorg (A Microkorg, a Microkorg, my kingdom for a Microkorg). Muzikaal moet u denken aan de urgentie en het lawaai van oude TC Matic en aan de kunstzinnige flair van the Dandy Warhols. Voor een aantal nummers kwam Luc Tuymans een mondje meewauwelen, maar érg muzikaal was dat nu ook weer niet. Schilders passen mooi in musea, dat wel, dus we zien het door de vingers. Een ander nummer had naar verluidt een tekst van de hand van Jan Fabre. Dan maakt die mens dus blijkbaar niet enkel lelijke kevers op een stokje. Wat dient u over Monky Pussy te onthouden? Dat ze seks in een doosje maken. En dat ze DB hebben overtuigd van de kracht van de Microkorg.

Na Monky Pussy mocht DJ Monica Electronica nog opdraven, maar de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat we dat pas halverwege haar set door hadden. Al kan dat in mijn geval ook positief geïnterpreteerd worden. Ze draaide het soort boenkeboenkplaatjes dat mij niet stoort: niks bekends en niks voor de hand liggends. Enige Myspace-research leerde me trouwens dat ze een nummer heeft gebouwd rond de “Bootsjunge”-monoloog van Hans Teeuwen. Restecp!

Liepen ook tussen het volk rond: de fotografen van Antwology. Meermaals werden wij gefotografeerd, en dat terwijl DB uit koukleumoverwegingen mijn leren vest en dus mijn cool aan had. Fortuna, oh bitter ironische fortuna, wat doet ge mij aan.

Als afsluiter van de avond, zo rond kwart na tien, konden we nog een rondleiding door het museum krijgen. Een bijzonder vreemde ervaring, ’s nachts en enigszins beneveld door een museum gegidst worden terwijl de beats van Monica Electronica nauwelijks gedempt door de muren klinken. Nog wel één en ander van bijgeleerd ook, over rechtop slapen en over hoe Rubens alleen tot de adel kon worden verheven als hij kon bewijzen zijn centen niet met schilderen te verdienen. Interessant, dat wel, maar wij wouden toch eens op huis aan. Dat was simpel: gewoon de bordjes “centrum” volgen.

Wij zullen er op 23 oktober alvast weer bij zijn, in het Vleeshuis, en wij hopen van sommigen onder u hetzelfde.